De Fazant













Fazanthaan


Beschrijving.

Tot de onderfamilie der Phasianinae behoren, behalve de "echte" fazanten, ook de pauw en de kip. De bekendste, over de hele wereld en ook in Nederland verspreide, vertegenwoordiger van deze groep is de bosfazant (Phasianus colchicus).
Vele honderden jaren voor het begin van onze jaartelling werden in Griekenland al fazanten gefokt. De Romeinen verspreidden het dier verder en na de val van het Romeinse rijk namen kloosters en vorstenhoven dit over. Sindsdien vormen fazanten een geliefkoosd jachtobject.
De in Europa levende dieren zijn kruisingen tussen minstens vier ondersoorten, afkomstig uit gebieden die zich uitstrekken van de Kaukasus via China tot in Japan. Er zijn hanen met een zwarte hals, naast fazanten met een witte halsring naast zeer donkere tenebrosus fazanten.
De hanen hebben een uit achttien pennen bestaande staart met enkele opvallend lange veren, om in de baltstijd mee te pronken. Aan de achterzijde van de kop heeft de haan twee pluimen en aan zijn poten sporen. Bij jonge hanen zijn deze klein, bij overjarige soms vervaarlijk groot. Hennen hebben de bekende, tijdens het broeden zo belangrijke, bruine schutkleur.

Biotoop.
De aanwezigheid van fazanten hangt nauw samen met de aanwezigheid van dekking, rust, voedsel en vooral water. De fazant is een standvogel van half open en besloten landschappen. Verruigde terreinen en grienden vormen een ideale leefomgeving. In landbouwgebieden met enige variatie en dekking komen ook redelijke dichtheden voor. De fazant heeft een zeer brede verspreiding en is in Nederland een talrijke broedvogel. Alleen in uitgestrekte graslandgebieden en droge zandgronden komt hij weinig of niet voor.
Voortbeweging: Fazanten zijn echte loopvogels. Ze kunnen zich razendsnel in alle richtingen verplaatsen. Bovendien verstaan ze de kunst om ongezien tussen de begroeiing weg te sluipen. Een normaal zeer opvallende fazantenhaan is in staat om als een slang tussen graspollen door weg te kruipen. Op het moment dat ze op de wieken gaan gebeurt dat in een snelle, "roffelende" vlucht, haast altijd voor de wind. De hanen maken hierbij meestal een luid kakelend misbaar. Soms laten ze zich na een korte vlucht als een steen weer in de dekking vallen. Fazanten roesten op boomtakken, maar ook regelmatig op de grond, waar ze zich haast onvindbaar kunnen wegdrukken.

Voedsel.
De fazant is een alleseter. Op het menu staan zaden (granen), delen van planten (fazantenschade in spruiten en jonge bieten), insecten, slakken en allerlei ander dierlijk materiaal. Het voedsel wordt voor verteerd in een krop. Met de krachtige poten, sporen en snavel wordt de bodem losgemaakt om bij ondergrondse plantendelen te komen (schade in de bollenteelt) of om bodemdieren te voorschijn te brengen. Foerageren gebeurt 's ochtends en ‘s avonds, vaak in groepen in het open veld.

Voortplanting.
In maart,april en mei bakent de haan kraaiend zijn territorium af. Het meet ongeveer 400 bij 400 meter, met een overlapping door andere hanen. Concurrenten worden verjaagd. In deze periode is het mogelijk een schatting te maken van het aantal fazanten in een gebied. Een haan bezit een of meerdere hennen, die hij met zachte geluiden begeleidt. De hennen herkennen hun haan aan zijn roep. De haan biedt de hen voedsel aan en benadert haar vervolgens met een slepende vleugel en schuddende staart. Hierbij maakt hij met gesloten snavel sissende geluiden. Vervolgens treedt hij de hen.  Fazanten zijn afhankelijk van dekking, rust, voedsel en vooral water.  
Fazanten broeden graag in houtsingels en laag struweel naast akker en weidepercelen. Pollen brandnetels en bramen bieden een perfecte schuilplaats en houden ongewenste bezoekers vaak op eerbiedige afstand. Alhoewel een fazant niet gauw van het nest vlucht zal verstoring door o.m. huisdieren als loslopende honden en katten de hen er uiteindelijk van weerhouden om de broedperiode af te maken. Een vast op het nest zittende hen kan ook gemakkelijk door een vos worden gepakt. Het leggen begint eind april. Het nest is een ongeveer 18 cm breed en 7 cm diep kuiltje, bekleed met grashalmen en veertjes. Het ligt in een grashoop of onder een struik. Een legsel telt tot 14 eieren. Er is geen tweede leg, maar bij verlies wordt de eerste leg wel vervangen. De kuikens komen na 23 dagen tegelijk uit. Ze kunnen op hun twaalfde dag al aardig vliegen.
De hen verlaat de jongen als deze half volwassen zijn. Zij is een vrij slechte moeder, die rustig door scharrelt als een deel van haar kroost achterblijft. De haan heeft allang elke belangstelling verloren.

Vijanden en bedreiging.
Gebrek aan dekking en voedselvariatie. De belangrijkste doodsoorzaak van jonge fazanten is voedselgebrek. Predatoren (vos, havik, kraai, ekster, bunzing en Vlaamse Gaai) eisen hun tol van zowel eieren, kuikens als volwassen vogels (vos en havik). Langdurige perioden van koude en regen zijn funest. Daarnaast maken landbouwmachines (het uitmaaien van nesten) en het autoverkeer veel slachtoffers.
Hun eerste levensweken zijn de jongen aangewezen op eiwitrijk voedsel, dat veelal nabij poelen en slootjes is te vinden. De volwassen dieren eten naast allerlei plantaardig voedsel (zaden en delen van planten) ook allerlei dierlijk materiaal, zoals wormen en slakjes.
Broedgelegenheid:
Het uitzetten van fazanten is onder de Flora en Fauna wet verboden. Er wordt streng op dit verbod gecontroleerd.

Bejaging
Onder de Natuurbeschermingswet is de jacht op fazanten geopend van 15 oktober tot en met 31 december voor de hennen en van 15 oktober tot en met 31 januari voor de hanen.


De wildbeheereenheid is de vereniging van lokale jachthouders en jagers die uitvoering geeft aan verantwoord en duurzaam wildbeheer.